Het-woorden

 

Hierna volgt een lijst met de belangrijkste het-woorden in het Nederlands.   Neem de lijst door en noteer de woorden die je misschien fout gebruikt.

 

Let op:  wanneer je een het-woord niet specifiek gebruikt, krijgt het adjectief geen E

 


bijv.:  een groot aantal (maar: het grote aantal)
          zo een goed akkoord  (maar:  dit goede akkoord)
          welk valabel alternatief (maar: het derde valabele alternatief)

 

abc, aantal, adres, advies, afscheid, akkoord, alternatief, appartement, artikel, AN, aanhangsel, aanzien, aanzoek (huwelijksaanzoek), abces (tandabces), abonnement, advies, accent, afval, alfabet, alibi, album, aluminium, ambt, avontuur, atoom, assortiment, amusement, anker, antiek, aperitief, aquarium, argument, arrest (huisarrest), aspect, attest, automatisme, axioma

 


bad (zwembad), bal (= het feest), bed (luchtbed, sterfbed, veldbed, ziekbed), bedrag, bedrijf (overheidsbedrijf, nutsbedrijf), beeld (aambeeld, denkbeeld, sterrenbeeld, schrikbeeld, spiegelbeeld, standbeeld, ziektebeeld), been (jukbeen), beest (liegebeest), begin, begrip, belang (eigenbelang, levensbelang), beginsel (vruchtbeginsel), beleid, bericht (weerbericht), beroep, besluit, bestaan, bestuur, beton, bevel (dwangbevel), bewijs (eerbewijs, kentekenbewijs, rijbewijs), bezoek (bliksembezoek, statiebezoek), bezwaar, bier, biljet (aanplakbiljet, aanslagbiljet, bankbiljet), blad (dienblad, klaverblad, lijfblad, damesblad, schouderblad, zondagsblad, strafblad), blik, bloed, boek (dagboek, draaiboek, handboek, logboek, woordenboek), bord (nummerbord), bos, brood (stokbrood), balkon, ballet, banket (zeebanket), bankroet, basketbal, bataljon, bederf, behang, beheer, behoud (voorbehoud), behagen (welbehagen), beleg (broodbeleg), bekken (spaarbekken), belet, beletsel, belfort, benul, beraad, bereik, berouw, besef (plichtsbesef), beslag (pannekoekenbeslag), bestand, bestek, bestel, betoog, bewind (schrikbewind), bezinksel, bezit, , biljart, bisdom, bivak, bladmoes, blazoen, blok (startblok, schrijfblok), bod (aanbod, overaanbod), boeddhisme, bont (boerenbont), bordeel , borderel, bordes, braaksel, brein, buffet, buskruit, bureau (uitzendbureau)

cadeau, café (stamcafé), centrum, cijfer (omzetcijfer, zakencijfer), concert, congres, contact (stopcontact), creatuur, credit, codicil (donorcodicil), crematorium, cricket, curriculum vitae, contract (leercontract), corps, couplet, couvert, cabaret, cachet, canvas, cardiogram, carnaval, casino, celibaat, celluloid, certificaat, charter, chasis, chauvinisme, christendom, chromosoom, chroom, circuit (racecircuit), citaat, cliché, collectief, college, comité, commando, compartiment, complement, complex (minderwaardigheidscomplex, meerderwaardigheidscomplex), compliment, concept, concern, condoom, conflict, conservatorium, consulaat, consult, continent, convooi

dak (onderdak), deel (aandeel, bestanddeel, voordeel, nadeel, kindsdeel, leeuwedeel, onderdeel, tegendeel, zinsdeel), deeltal, dessert, detail, dier (huisdier, stinkdier, knaagdier, lastdier, muildier, ondier, rendier, zoogdier), ding, diploma, doek, doel, dorp, duel, duister, dozijn, drama (melodrama), dal, damast, debat, debet, debuut, decennium, decolleté, decor, decreet, deeg (bladerdeeg), defekt, defilé, dek (wegdek), deksel (hoofddeksel), delict, delirium, denim, departement, deposit, depot, dessin, design, devies, diafragma, dialect, diapositief, dictaat, dictee, dieet, document, district, doelwit, dividend, doctoraal, dogma, dom (bisdom, jodendom, christendom), domein, domicilie, donker, dons, doopsel, dreigement, dwangbuis, dynamiet

ei (spiegelei, roerei), einde (achtereind, doeleind, uiteinde), enkelvoud, eten, examen (herexamen), excuus, eczeem, edict, eelt, eerbetoon, egoïsme, eigendom, elan, elastiek, eldorado, electoraat, elektrocardiogram, elektron, element, email, embargo, embleem, embryo, emiraat, enzym, escorte, eskader, etablissement, etiket, evenwicht, experiment, extract

facet, fantoom, fascisme, fatsoen, feest, feit (wapenfeit), figuur, filiaal, fineer, fenomeen, flanel, fluor, fluweel, foedraal, fonds (kinderbijslagfonds, ziekenfonds), formaat, festijn, festival, formica, formulier, fornuis (gasfornuis), forum, fosfaat, fragment, fret, front (thuisfront), fruit, fundament,

gala, galjoen, garen (kamgaren), garnizoen, gat (sleutelgat, trekgat, zeegat), gazon, gebaar, gebak, gebed, gebergte, gas (aardgas, biogas, drijfgas, zenuwgas), gebinte, gebied (grondgebied, hogedrukgebied, lagedrukgebied), gebod, gebouw (bijgebouw), gebrek (spraakgebrek, geldgebrek), gebruik (hergebruik, vruchtgebruik), gedeelte, gedrag, geheel, geheim (beroepsgeheim, hartsgeheim, staatsgeheim), geheugen, geld (bloedgeld, handgeld, kijkgeld, kindergeld, kleingeld, zakgeld, losgeld, remgeld, smartegeld, smeergeld, statiegeld, wachtgeld), geloof (bijgeloof), gelijk (ongelijk), geluid, geluk, genoegen (ongenoegen), genre, gerecht (voorgerecht, nagerecht), gerucht (burengerucht), gemak (ongemak), geschenk, geslacht (nageslacht, voorgeslacht), gesprek (vraaggesprek), geval (ongeval, noodgeval, spoedgeval, sterfgeval), gevaar, gevoel (plichtsgevoel, voorgevoel), gevolg, geweld, gewicht (tegengewicht), gezag, gezelschap, gezicht (aangezicht, vergezicht), geweer (jachtgewwer), gezin (huisgezin), glas, gordijn (glasgordijn, overgordijn), gedicht (hekeldicht), geding, gedoe, gedrang, gedrocht, geduld (engelengeduld), gegeven, gehakt, gehalte, geharrewar, geheel, gehemelte, gehoor, gehucht, gejuich, gelaat, gewas (bolgewas), gezwel, gips, glazuur, goed (landgoed, leeggoed, vastgoed, linnengoed, ondergoed, speelgoed, tegoed, wasgoed), goud (bladgoud, narrengoud, stofgoud), getij (jaargetijde), graafschap, graan, gras, graf, grafiet, groen, gravel, grind, grondvest, gruis, gunstkoopje, gymnasium

haar, hart, handbal, habijt, halfrond, handgemeen, handgeklap, handvest, harakiri, harmonium, harnas, hartinfarct, hartzeer, heft, hek (dranghek), hemd (overhemd), heil (onheil), heiligdom, heimwee, hersenspinsel, herstel, hiernamaals, hockey, hoen, hof, hok, hoofd (achterhoofd, havenhoofd, leeghoofd, voorhoofd, stamhoofd, waterhoofd), horloge, hotel, hol, hooi, hormoon, hospitaal, hout, houvast, houweel, huis (tehuis, bejaardentehuis, gasthuis, gekkenhuis, herenhuis, klokhuis, landhuis, raadhuis, rusthuis, slachthuis, stadhuis, gemeentehuis, warenhuis, ziekenhuis), huishouden, humanisme, humeur, huwelijk

idee (waanidee), ijs, initiatief, ideaal, idool, ijzer (strijkijzer), imago, imperium, individu, ingrediënt, internaat, instrument (muziekinstrument, snaarinstrument, blaasinstrument), interbellum, ijsje, intermezzo, ivoor, item, intellect, insect, insecticide, insigne, instinct, instituut, isolement, ion, interview, interval, interieur

jaar (voorjaar, najaar, eindjaar, lichtjaar, manjaar, oudjaar, nieuwjaar, schrikkeljaar), jargon, jodium, journaal, jubileum, judo, juk, juweel, jodendom, jong

kabinet, kader, kalf, kamp (concentratiekamp), kanaal, kantoor, kapitaal, karakter, kabaal, kadaster, kadaver, kaf, kaliber, kampioenschap, kanton, komma, keyboard, kasteel (luchtkasteel), kerkhof (autokerkhof), kind (geesteskind, stiefkind, wonderkind, zondagskind), klassement, kleed (zomerkleed), klimaat (leefklimaat, zeeklimaat, landklimaat), knipsel, kompas, komplot, kompres, konijn (proefkonijn), koolhydraat, koolmonoxyde, koor (spreekkoor, zangkoor), koppel, koraal, kordon, koren, korfbal, korhoen, korps (muziekkorps), korset, kostuum, kot, kozijn, kristal (bergkristal), krijt, kruid (gipskruid, onkruid, vingerhoedskruid), kruis (hakenkruis), kwartier (hoofdkwartier), kraam, krat, krediet, kreng, kristal, kroos, kroost, krot, kruit (rattenkruit), kuiken, kussen (stempelkussen), kwaad, kwadraad, kwart, kwartaal, kwartet, kwarts, kwik, kwintet

laboratorium, laken (badlaken, tafellaken), land (binnenland, buitenland, eiland, luilekkerland, vaderland, platteland, weiland), landschap, lawaai, leger, leven (hondeleven, luizeleven), leer (zeemleer), lichaam (hemellichaam), licht (daglicht, dwaallicht, verkeerslicht, voetlicht, zoeklicht), lid (raadslid, kamerlid, erelid, ooglid), lied (levenslied), lieveheersbeestje, loket, loon (ereloon), lustrum, lyceum, labyrint, lam, lancet, landschap, lavement, lawaai, ledikant, leed, leedwezen, legaat, legioen, leidsel, lek, lekkers, lemmet, letsel, lexicon, liberalisme, lichaam, lid, lidmaatschap, lied, lief(je), lijf, lijk (innerlijk, uiterlijk), linnen, lint, logement, logies, logo, lokaal, loket, lood (echolood, peillood, potlood), loof, lot (noodlot), luchtledige, luik (drieluik, rolluik)

milieu, maal (avondmaal, middagmaal, etmaal, galgemaal), moreel, motel, macadam, magazijn, magazine, magnesium, magnetisme, manco, mandaat, motief, manifest, mankement, manuscript, marmer, masker (gasmasker), masochisme, massief, materiaal, matriarchaat, maximum, mechanisme, medaillon, medicament, medium, meel (zetmeel, aardappelmeel), meer, meisje (kindermeisje), merg (ruggemerg), mes (zakmes), middel (bindmiddel, huismiddel, oplosmiddel, lapmiddel, leermiddel, voorbehoedmiddel), model (fotomodel), morgenrood, monster, monopolie, monument, misbruik, misnoegen, mineraal, mirakel, memorandum, mengsel, merk (oogmerk, handelsmerk, waarmerk), minimum, ministerie, misdrijf (vluchtmisdrijf), mysterie, morse, mos, mortuarium, motel, motief, motto, mozaïek, mormel

nest (broeinest, stofnest), net (leefnet, televisienet), nieuws, niveau, nat, negatief, nikkel, noorden, nummer (fuifnummer), nut, numero, nylon

ogenblik, onderwerp, onderzoek (schoolonderzoek), oordeel, orkest, ontbijt, oog (lodderoog), oor (ezelsoor), offensief, omhulsel, onderhoud, onderkomen, onderricht, onderscheid, onderwijs, ongenoegen, onraad, onthaal, ontslag, ontwerp, ontzag, oord (lustoord), oordeel, oosten, opstel, optreden, orgel (draaiorgel, hammondorgel), ornament, overblijfsel, overleg

paar (echtpaar), paard, pad (fietspad, bospad, voetpad), pak (badpak, zwempak), paleis (justitiepaleis), papier (kaftpapier, zilverpapier, cadeaupapier), park (lunapark, pretpark, wagenpark), parlement, paspoort, pedaal (gaspedaal, rempedaal, ontkoppelingspedaal), pensioen (brugpensioen, overlevingspensioen, rustpensioen), perron, personeel, pistool, plan (bestemmingsplan, stadsplan), plein, plezier, podium, principe, probleem, proces, product, programma, pact, pakket (vakkenpakket), palet, pamflet, pand (onderpand), paneel (bedieningspaneel), panel, panorama, pantser, parcours, parket, parool, pastoraat, patent, patronaat, patroon, paviljoen, peil, peloton, penseel, pensioen, pension, pensionaat, perceel, percent, percentage, perk, pigment, plakaat, plastic, plateau, pleidooi, poeder (bakpoeder, bluspoeder, magnesiumpoeder), polo (waterpolo), postogram, portret (zelfportret), potentieel, preparaat, pretpark, prieel, prisma, procent, procesverbaal, profiel, profijt, project, projectiel, proletariaat, protest, protocol, prul, publiek, punt (brandpunt, dieptepunt, doelpunt, standpunt, gezichtspunt, oogpunt, knooppunt, lichtpunt, middelpunt, minpunt, pluspunt, nulpunt, rustpunt, trefpunt, uitgangspunt, vriespunt, kookpunt), purisme, purper

raam, raadsel, racket, radium, raffinement, rantsoen, ras, rapport, ravijn, reces, recept, recht (auteursrecht, bestaansrecht, stemrecht, strafrecht, staatsrecht, vastrecht, voorrecht, zelfbeschikkingsrecht), recital, record, rectum, referaat, refrein, regime, register, reglement, rek (fietsenrek), relaas, relict, reliëf, rendement, reservaat (natuurreservaat), repertoire, restant, restaurant, resultaat, retour, reuma, riet, rumoer, rif, rijk (aardrijk, koninkrijk), rijm, riool, risico, ritme (bioritme), ritueel, roer, roet, ruim (luchtruim), rund, ruim (laadruim), rund, rooster (uurrooster, tropenrooster)

sap, schaap, salaris, sacrament, saldo, saluut, salvo (lachsalvo), scenario, schaak, schandaal, scharnier, schema, scherm (beeldscherm, valscherm), schild (wapenschild), schilderij, schisma, schorem, schilderij, schip, schrijven, schot, schrift (bezwaarschrift, handschrift, grafschrift, tijdschrift, vlugschrift, voorschrift), schroot, schuim (badschuim, piepschuim), semester, seminarie, serpent, serum, servies, seizoen (hoogseizoen, laagseizoen), sierraad, signaal, skelet, servet, slijk, slop, slot, snoer (richtsnoer, parelsnoer), solarium, sonnet, sop, Spaans, specimen, speelgoed, spectrum, speeksel, spektakel, sperma, spinrag, spek, spel (balspel, blijspel, hoorspel, kansspel, overspel, voorspel), spinrag, spook, spoor, spul, squash, staakt-het-vuren, staal, station, strand, stuk (bloemstuk, hoofdstuk, kopstuk, toneelstuk, muntstuk, voetstuk, vraagstuk, waagstuk), succes, statief, statuut (nepstatuut), stel (bankstel, drumstel, gasstel, opstel, herstel, bestel), stelsel (zenuwstelsel), symbool, systeem (kaartsysteem), stuur, stigma, stijfsel, stof, strand, stremsel, stro, stramien, streven, stuk, stuur, stuurboord, subject, substantief, substituut, succes, suède, suffix, sujet, sulfiet, summum, supplement, surplus, surrealisme, surrogaat, sweatshirt, syllogisme, symbool, symposium, symptoom, syndicaat, syndroom, synoniem, systeem

tal (aantal, deeltal, jaartal), talent, tandsteen, tarief, tapijt, team, teflon, tegoed, tekort, teken (aanhalingsteken, deelteken, plusteken, minteken, maalteken, kenteken, koppelteken, leesteken, litteken, vraagteken, uitroepteken, voorteken), telegram, temperament, tempo, tennis, terras, tentamen, teveel, theater, ticket, tij (laagtij, hoogtij) tijdperk, terrein, toerisme, toernooi, toestel, traject, traktaat, transport, trema, trio, toilet, toneel, totaal, touw, trottoir, tuig (rijtuig, vaartuig, luchtkussenvaartuig, springtuig), type (prototype), trauma

uiteinde, uiterlijk, uiterste, uniform, uur (overuur, spitsuur, spreekuur), uitschot, uitsluitsel, uitstel, uittreksel, ultimatum, universum, uranium, urinoir

vaandel, vaccin, vacuüm, vademecum, vak (bijvak, hoofdvak, keuzevak, loodgietersvak), valies, valium, vandalisme, variété, varken (spaarvarken, speenvarken), vat (handvat, bloedvat, zoutvat), vee (pluimvee), veld (blikveld, slagveld), veelvoud, veem, veen, vehikel, vel (dierevel, tijgervel), venster, verband (maandverband), velours, venijn, venster, ventiel, verblijf, verbod, verbond, verbum, verderf, verdrag, vergelijk, vergiet, vergif, vergrijp, verhemelte, verhoor, verbruik, verdriet (liefdesverdriet), verhaal, verkeer (snelverkeer), verlangen, verleden, verlies, verlof, verloop, vermiljoen, vermoeden, vermogen (onvermogen, doorzettingsvermogen), verraad (landverraad), verschil, verschijnsel (natuurverschijnsel), vermaak (leedvermaak), vers, verrijzen, verschijnsel, verschil, versiersel, vernis, vernuft, verslag (beeldverslag), verstand (boerenverstand, misverstand), vertelsel, vertoon, verval, vervoer, vervolg, vertrek, vertrouwen (zelfvertrouwen), verweer, verwijt, verzinsel, verzet, verzoek, verzuim, vest (zwemvest), vet (bakvet, smeervet, braadvet), veto, veulen, viaduct, vibrato, vierkant, vignet, vilt, vinyl, violet, virus, verlet (vorstverlet), visioen, visitekaartje, visum, Vlaams, vlak (draagvlak, oppervlak, zitvlak), vlees (kippevlees, tandvlees, vruchtvlees), vlas, vlies (hoornvlies, maagdenvlies, netvlies, trommelvlies, vruchtvlies, zwemvlies), vlot, vocabularium, vocht (lichaamsvocht), voedsel, voer, voetbal (paniekvoetbal), volleybal, volume (stemvolume), volk (kerkvolk), voorbeeld, voorgaande, voorkomen, voorstel, voornemen, vooroordeel, voorproefje, voorschot, voorval, voorvoegsel, voorwendsel, voorwerp, voorzetsel, vormsel, vonnis (doodvonnis), vuur (kampvuur, spervuur, vagevuur), vrijgeleide, vuil

wapen (atoomwapen, kernwapen, vuurwapen), water (drinkwater, grondwater, mineraalwater, vaarwater, vruchtwater), waas, water, wantrouwen, weefsel (bindweefsel), weer (onweer), werk (aardewerk, bolwerk, drukwerk, gekkenwerk, handwerk, lapwerk, levenswerk, slagwerk, uurwerk, vaatwerk, vakwerk, veldwerk, vuurwerk), westen, wiel (spinnewiel, tandwiel, zwenkwiel), wonder (wereldwonder), woord (antwoord, bijwoord, deelwoord, leenwoord, letterwoord, lidwoord, stopwoord, spreekwoord, voegwoord, voornaamwoord, voorwoord, nawoord, dankwoord, weerwoord), web (spinneweb), weiland, welkom, welslagen, welzijn, werkwoord (hoofdwerkwoord, hulpwerkwoord, koppelwerkwoord), wezen, wiel, woud (oerwoud, regenwoud), wrak

zaad (koolzaad, lijnzaad, maanzaad), zadel, zaagsel, zand (drijfzand), zeemleer, zeil, zijn (bewustzijn, onderbewustzijn, welzijn), zout (badzout, vlugzout), zicht (inzicht, toezicht, uitzicht, aanzicht, opzicht, overzicht, vooruitzicht), zink, zwijgen (stilzwijgen), zwijn (everzwijn), zuur (maagzuur), zwaard, zweet, zuiden

Bron:  Groot Grammaticaboek, An Wuyts