Blue Flower

 

 

 

 

Hieronder vind je tips om een paper (werkstuk) te schrijven. Ze gaan over de inhoud, de structuur en de taal van je paper. Lees de tips en klik op items die je moeilijk vindt. Eerst en vooral toch dit:
  • Plan je werk. denk na over de inhoud, verzamel informatie, schrijf een eerste versie, controleer de taal, laat je werk lezen door een docent / coach, verzamel bijkomende informatie, schrijf een tweede versie, werk je tekst professioneel af.
  • Ga niet te snel. Misschien heb je zoveel ideeën, dat je ze snel op papier wilt zetten. Probeer eerst je thema vanuit een andere hoek te benaderen. Je ideeën kunnen je verblinden voor de realiteit.
  • Maak een mooie lay-out voor je paper.   Neem even de tijd om te leren werken met opmaakprofielen:  je kunt daarover meer leren via de helpfunctie van je tekstverwerker.   Gebruik je opmaakprofielen, dan kun je later makkelijk wijzigingen invoeren of een inhoudstafel van je tekst maken.   Heb je problemen met prenten, foto's of figuren die verschuiven, zet ze dan in een tabel en maak de randen onzichtbaar.

Heb je zelf nog meer tips? Geef ons een seintje!

 

 

 

 

 

De inhoud van je paper


 

Ideeën vinden

 

 

 

  1. Kies een thema.
  2. Schrijf je ideeën bij het thema op.
  3. Gebruik goede argumenten.
  4. Maak een mindmap.

 

 

 

Informatie zoeken

 

 

 

  1. Zoek informatie .
  2. Sorteer je informatie.
  3. Maak infokaarten.

 

 

 

 

 

 


 

De structuur van je paper

 

Inleiding

 

  1. Kies voor een teksttype: wil je de lezer overtuigen? Dan schrijf je een betoog. Wil je de lezer informeren? Dan schrijf je een verhandeling.
  2. Schrijf in je inleiding tot welke aspecten van het onderwerp je je beperkt
  3. Schrijf eventueel welk onderzoek je verricht hebt of op welke studies je je tekst baseeert.
  4. Schrijf eventueel een dankwoord.

 

Informatie sorteren

 

  1. Rangschik de informatie die je hebt: zet de gelijkaardige ideeën bij elkaar, bijvoorbeeld de voordelen en nadelen.
  2. Ze de hoofdzaken / bijzaken / voorbeelden apart.
  3. Maak een onderscheid tussen feiten en meningen (eventueel je eigen mening).
  4. Schrap de informatie die nergens bijhoort en niet belangrijk is.

 

De opbouw van je paper

 

  1. Zoek een logische manier om de informatie die je hebt te rangschikken.
  2. Besluit aan welke informatie de meeste plaats zal krijgen in je tekst.
  3. Maak een overzichtsschema van de verschillende paragrafen.

 

Het besluit

 

  1. Schrijf eventueel een besluit voor je tekst.
  2. Schrijf eventueel een dankwoord.

 

 

 

De taal van je paper

 

Spelling

 

  1. Gebruik de spellingchecker en het woordenboek om je tekst foutloos te spellen.
  2. Gebruik de correcte hoofdletters, komma's, woordtekens enz.

 

Woordgebruik

 

  1. Kies voor woorden die de inhoud zo nauwkeurig mogelijk uitdrukken.
  2. Kies voor een afwisselend woordgebruik.
  3. Gebruik alleen uitdrukkingen die je goed kent.

 

Grammatica

 

  1. Gebruik verwijswoorden en voegwoorden op de juiste manier.
  2. Geef het werkwoord hetzelfde enkelvoud / meervoud als het subject.
  3. Gebruik de juiste artikels en pronomens.
  4. Laat dubbele woorden alleen weg als ze precies dezelfde betekenis en functie hebben.

 

Zinsbouw

 

  1. Varieer de zinslengte.
  2. Bouw je zinnen mooi op.
  3. Zet de woorden die bij elkaar horen ook bij elkaar.
  4. Breng variatie in je zinsbouw aan.

 

Stijl

 

  1. Schrijf actieve zinnen.
  2. Schrap overbodige of nietszeggende woorden.
  3. Schrijf overtuigend.
  4. Hou je aan een heldere informatieve stijl.
  5. Breng zonodig een persoonlijke toets aan.
  6. Vermijd ouderwetse uitdrukkingen en clichés.

 


 

Het thema van je paper

 

Meestal is het precies duidelijk waarover je werkstuk moet gaan. Soms is de opdracht zo ruim, dat je zelf je thema moet invullen. Waarmee moet je rekening houden?

 

 

 

  • Eigen interesses

    Kies zo mogelijk voor een thema dat je zelf interessant vindt.
    bijv.: De waterkwaliteit in Vlaanderen / het effect van twintig jaar waterzuivering

  • Aard van het werk

    Kies voor een thema in functie van het werk dat je graag doet: zoek je graag dingen op, doe je graag onderzoekswerk, neem je graag interviews af.

    De waterkwaliteit in Vlaanderen: het jaarverslag van de watermaatschappij (opzoekingswerk).

    De waterkwaliteit in Vlaanderen: een status quo aan de hand van metingen van de .... van de Nete. (onderzoekswerk)

    De waterkwaliteit in Vlaanderen: perceptie van de smaak van water door de gebruikers. (interviews)

  • Beschikbare informatie

    Kies voor een thema in functie van de informatie die je vindt. Heb je geen inspiratie, ga dan eerst op zoek naar informatie. Kies voor een makkelijke informatiebron (zie: informatie zoeken) en een thema waarover je makkelijk informatie vindt.

    In de plaatselijke bibliotheek vind je in de voorbije jaargang van het tijdschrift Eos enkele artikelen over 'De invloed van de chemische industrie op de waterkwaliteit in het Albertkanaal'. Je kiest die artikelen als uitgangspunt voor verder onderzoek.

  • Beschikbare tijd

    Kies voor een thema in functie van de tijd die je hebt. Heb je weinig tijd, kies dan een thema op basis van informatie die je al hebt of makkelijk kunt vinden. Denk goed na over onderzoekswerk en interviews. Die kunnen door omstandigheden (mensen zijn niet bereikbaar, labo is niet open...) meer tijd vergen dan gepland.

 

Extra tip:

 

Ga na of jouw docent over het gekozen thema gepubliceerd heeft. Je kunt dit gewoon vragen, of opzoeken in het internet of de bibliotheek. Lees die publikaties door en noteer specifieke vaktaal (het jargon). Gebruik die vaktaal in je eigen werkstuk. Verwijs in je werkstuk naar de publikaties van je docent.

 

 

 


 

Ideeën vinden

 

Ideeën vind je aan de hand van informatie die je opzoekt. Soms kun je ook op andere manieren inspiratie krijgen. Bij het thema 'De kwaliteit van het drinkwater in Vlaanderen' kun je bijvoorbeeld zo tewerk gaan:

 

  • Je stelt je vragen bij het thema.

    bijv.: Is de kwaliteit van het drinkwater in Vlaanderen beter of slechter dan die in Nederland? Hoe wordt het water gezuiverd? Welk systeem is beter? Hoeveel mensen drinken water van de kraan? Hoeveel flessen per inwoner worden er jaarlijks verkocht? enz.

  • Je bekijkt verschillende standpunten.

    bijv.: Welke inspanningen heeft de overheid gedaan om de waterkwaliteit te verbeteren? Wat zegt de Bond Beter Leefmilieu?

  • Je praat met kenners over het thema.

    bijv.: Je spreekt met je docent (of een andere kenner) en legt uit welke invulling je aan het thema wilt geven. Hij kan je vast op weg helpen.

  • Je brainstormt.

    Brainstormen doe je alleen of samen. Neem een groot vel papier en zet daar middenin het thema. Zet een aantal onderverdelingen (bijv.vraagwoorden) rond die cirkel. Daarrond zet je woorden of vragen die je zomaar invallen. Dat kunnen ook begrippen/woorden/zinnetjes zijn die je onthouden hebt uit lessen, uit lectuur, uit gesprekken. Let op: de vragen dienen om je te inspireren, ze moeten niet allemaal in je werkstuk aan bod komen.

 



ideeen vinden

 


 

Goede argumenten

 

Soms heb je onmiddellijk ideeën bij een onderwerp, of weet je dadelijk wat je stelling is. Denk dan eerst even na: misschien zijn er andere, tegengestelde ideeën die even waardevol zijn. Misschien zijn er ook argumenten te vinden voor een tegengestelde stelling of standpunt. Blijf je bij je standpunt? Gebruik dan ook argumenten om het tegengestelde standpunt te weerleggen.

 

Maak de cijfers en technische gegevens in je werkstuk zo beeldend mogelijk: maak grafieken en tabellen zodat de lezers in een oogopslag kunnen zien wat het resultaat is van mijn onderzoek.

Voeg de cijfers en technische gegevens die meer achtergrondinformatie geven in een bijlage. Zo geef je voldoende stof aan de specialistische lezer, maar maak je de tekst niet te zwaar.

Om argumenten te vinden kun je je enkele vragen stellen:
Wat is mijn stelling? Waarom is dit mijn stelling? Over wie gaat mijn stelling? Wie is het met mij eens? Heb ik wetenschappelijke / maatschappelijke/ logische argumenten? In welke omstandigheden is mijn standpunt geldig?

 

Argumenteren

 


Het is niet genoeg dat je ideeën hebt, je moet mensen er ook nog van kunnen overtuigen dat ze goed zijn. Je maakt dan gebruik van goede argumenten en een heldere redenering. Argumenteren doe je mondeling in een discussie of schriftelijk in een betoog.

Een argumentatie (of redenering) bestaat meestal uit een stelling, een aantal argumenten en een conclusie of een mening.

 

1. Basisspelregels

 


Gebruik eerlijke, juiste argumenten, geen drogredenen (zie hieronder)
Verzin geen feiten die je niet kunt aantonen of bewijzen die je niet kunt staven
Gebruik argumenten die van toepassing zijn op je thema.
Val nooit iemand persoonlijk aan.

Let op: iemand die het niet met je eens is, zal je proberen te pakken op argumenten die makkelijk te weerleggen zijn. Gebruik liever enkele stevige argumenten dan een hele reeks waarvan er enkele gemakkelijk onderuit kunnen gehaald worden.

 

2. Feiten en meningen

 


Een argument waar geen discussie over kan ontstaan is een feit.

bijv.: Er worden veel homeopatische geneesmiddelen verkocht.

Een argument waarover discussie kan ontstaan is een mening.

bijv.: Veel mensen genezen door het gebruik van homeopatische geneesmiddelen.

Is het wel zo dat die mensen genezen door de homeopatische middelen? Misschien genezen ze wel vanzelf?

 

3. Fouten in argumentatie: drogredenen

 


Een drogreden is een reden of redenering die niet klopt, maar die wel aannemelijk lijkt. Bij het gebruik van drogredenen, kunnen gemakkelijk tegenargumenten gevonden worden. Hieronder volgt telkens een voorbeeld in verband met homeopatische geneesmiddelen.

 

4. Verkeerde verbanden leggen

 


bijv.: Mijn huisdokter is een homeopaat. De geneesmiddelen die ik neem zijn dus homepatische geneesmiddelen.

tegenargument: Misschien schrijft je dokter ook andere geneesmiddelen voor.

 

5. Ongepaste generalisatie

 


Bij een ongepaste generalisatie ga je kenmerken van een individu uitbreiden naar alle leden van de groep waartoe hij hoort. De redenering gaat dan zo: als iemands van die groep zo is, dan zijn ze allemaal zo.

bijv.: Mensen die homeopatische geneesmiddelen gebruiken, zijn goedgelovig.
tegenargument: Misschien geloven ze niet in het middel, maar nemen ze het omdat de traditionele geneeskunde hen geen oplossing biedt.

 

6. Cirkelredenering

 


Bij een cirkelredenering gebruik je je standpunt als argument. Je herhaalt je standpunt in andere woorden.

bijv.: Mensen die homeopatische geneesmiddelen nemen zijn goedgelovig want ze geloven wat de homeopaat hen vertelt.

tegenargument: Dat betekent toch niet dat ze alles geloven? Misschien vertelt de homeopaat hen wel de waarheid.

 

7. Argumenteren uit de weg gaan

 


Je kunt je standpunt ook zo formuleren dat niemand er tegenin kan gaan.

bijv.: Iedereen weet toch dat homeopatie flauwekul is.

tegenargument: Dan reken ik mezelf niet tot de groep die jij 'iedereen' noemt.

 

8.  Beroep op traditie

 


Als je een beroep doet op traditie, verdedig je je standpunt met het argument dat het altijd al zo was.

bijv.: In onze apotheek verkopen we al jaren homeopatische geneesmiddelen.

tegenargument: We hebben nu wel een nieuw gegeven: de homeopatische geneesmiddelen doen het niet zo goed en we hebben de ruimte nodig om andere producten uit te stallen.

 

9. Pragmatische redeneringen

 


Bij pragmatisch redeneren wordt een bijzaak tot hoofdzaak gemaakt. Je vermijdt zo de discussie over waar het werkelijk om gaat.

bijv.: Ik werk hier al tien jaar en zal dus wel weten of onze klanten homeopatische geneesmiddelen willen kopen of niet.

tegenargument: Jouw persoonlijke band met de klanten is natuurlijk belangrijk, maar als we andere producten zouden verkopen, zouden we ook andere klanten aantrekken.

 

10. Autoriteitsargumenten

 


Je doet een onterechte een  beroep op autoriteit.

bijv.: Homeopathie werkt want mijn dokter heeft het gezegd.

tegenargument: Een huisarts is niet noodzakelijk de meest objectieve persoon om daarover te oordelen.

 

11. Argument van de onwetendheid

 


Je neemt aan dat een stelling waar is omdat niemand bewezen heeft dat hij onwaar is (of omgekeerd).

bijv.: Niemand heeft ooit bewezen dat homeopathie werkt, dus werkt het niet.

tegenargument: Misschien is nog niet voldoende onderzocht of homeopathie werkt.

 

12. Foute vergelijkingen

 


Je vergelijkt onderzoeksresultaten die niets met elkaar te maken hebben.

bijv.: De helft van de patiënten met hoofdpijn had koffie gedronken, een tiende van de patiënten met hoofdpijn had chocolade gegeten. Het is dus beter als de patiënt koffie drinkt i.p.v. chocolade eet.

Tegenargument: De patiënt zou geen koffie mogen drinken en geen chocolade eten.

 


 

Maak een mindmap

 

Je hebt allerlei losse ideeën verzameld. Maak een selectie van de verschillende ideeën die je hebt. Dit is nodig omdat je anders al snel met een berg informatie zit die je niet meer kunt verwerken.

 

Welke ideeën vind je interessant om op door te gaan?
Zijn er verbanden tussen de verschillende ideeën?
Kun je de ideeën onderverdelen in verschillende subthema's?
Wil je onderzoeken of er verbanden zijn tussen de ideeën?

 

Op basis van die selectie stel je een voorlopige mindmap voor je paper op. Je kiest eerst voor een structuur die het best aansluit bij je thema (zie: de structuur van je paper). Daarna maak je een voorlopige indeling in hoofdstukken. Op je pc zet je eenzelfde mappenstructuur op: zo kun je gericht op zoek gaan naar informatie en die informatie meteen op de juiste plaats zetten.

 

Tip: misschien zie je door de bomen het bos niet meer, en heb je duizend-en-één ideeën. Probeer het volgende dan eens: vertel aan een vriend op een zo overzichtelijk mogelijk manier welke ideeën je verzameld hebt. Dit dwingt je namelijk na te denken over de structuur. En misschien kan je vriend je tips geven over de indeling.

 

bijv.: De kwaliteit van het drinkwater in Vlaanderen.
Selectie van de ideeën: 'Perceptie door de consument'.

 

  • Inleiding:
    Zijn de kwaliteitsverschillen ook merkbaar voor de consument?

  • Middenstuk:
    hoofdstuk 1: Wie meet de waterkwaliteit ?
    (info opzoeken over de watermaatschappijen, consumentenorganisat overheidsinstanties)
    hoofdstuk 2: Wat zijn de meetresultaten?
    (info opzoeken bij jaarverslagen van de watermaatschappijen)
    hoofdstuk 3: Een regio met optimale en een regio met minimale kwaliteit. (cijfers vergelijken)
    hoofdstuk 4: In die regio's telkens x aantal consumenten interviewen over hun perceptie van de waterkwaliteit. (vragenreeks opstellen)
    hoofdstuk 5: Vanuit de vooronderstelling dat 'Het smaakt naar chloor' een veelgehoorde klacht is over de smaak van water, uit die regio's waterstalen analyseren op de aanwezigheid van chloor. (chemische analyse)
    hoofdstuk 6: Vergelijken van de perceptie / de analyse / en het cijfermateriaal.

  • Conclusie:
    Een antwoord op de vraag 'Zijn de kwaliteitsverschillen ook merkbaar voor de consument?'.

 


 

Waar vind je informatie?

 

Het internet

 

Waarschijnlijk begin je je zoektocht naar informatie via het internet. Hou er wel rekening mee dat niet alle websites betrouwbare informatie geven. Websites van organisaties en universiteiten kun je meestal vertrouwen.

 

Gebruik je een browser (google, alltheweb, altavista, yahoo), maak dan gebruik van de geavanceerde zoekfuncties. Het loont wellicht de moeite om even de zoektips van de browsers erop na te lezen. Heb je die in de vingers, dan kun je jezelf in de loop van je studies veel tijd besparen.

 

In de archieven van websites vind je vaak een schat van informatie. Om te vermijden dat je te veel tijd besteedt, maak je best gebruik van de zoekfunctie.

 

Boeken en tijdschriften

 

Boeken bevatten een schat aan informatie, maar je kunt er ook enorm veel tijd mee verliezen. Hou rekening met deze tips:

 


Bibliotheken

 

 

 

  • Vermijd vergeefse uitstapjes naar de bibliotheek: raadpleeg de online catalogus of bel om te horen of een boek aanwezig is.
  • Vermijd uitstapjes naar een verre bibliotheek: bestel de nodige boeken in je eigen bibliotheek.
  • Zoek een gespecialiseerde bibliotheek. Scholen en organisaties hebben vaak een eigen bibliotheek die je op verzoek kunt raadplegen.

 

Selecteren

 

  • Begin zo mogelijk met het lezen van artikelen: ze geven vaak een overzicht. Je kunt bij de meeste tijdschriften een overzicht van hun publikaties opvragen.
  • Lees alleen de boeken / hoofdstukken die interessant én bruikbaar voor je paper zijn.
  • Ben je op zoek naar specifieke informatie, concentreer je dan op boeken met een lexicon.
  • Ga op zoek naar standaardwerken: vraag raad (aan docenten, medestudenten, afgestudeerden...), vergelijk bibliografieën (naar welke werken wordt steeds opnieuw verwezen in artikelen en boeken).

 

Onderzoek

 

Onderzoek doen is niet zo eenvoudig. Je moet goed nadenken over wat je onderzoekt en welke methoden je gebruikt. Ook moet je weten of het onderzoek niet al gevoerd is. Daarvoor heb je de nodige kennis nodig. Je raadpleegt best je docent / coach of andere autoriteiten.

 

bijv.: De aanwezigheid van chloor in het drinkwater van 2 verschillende regio's.
Ga je het water onderzoeken voor het in de leidingen terecht komt of achteraf? Is dit niet al onderzocht? Hoeveel water ga je onderzoeken? Ga je het water onderzoeken nadat het enkele minuten door de kraan loopt of achteraf?

 

Interviews

 

Ook wanneer je interviews afneemt, denk je best goed na over de vragen die je stelt. Je moet die vragen immers achteraf nog kunnen verwerken. Er zijn twee soorten vragen, en allerlei combinaties mogelijk.

 

Meerkeuzevragen

 

 

 

  • gemakkelijk te verwerken
  • resultaten zijn objectiveerbaar
  • weinig inbreng mogelijk voor de geïnterviewde, daardoor soms minder interessant

 

bijv.: Ik vind het water uit de kraan
altijd lekker / soms lekker / nooit lekker

 

Open vragen

 

 

 

  • moeilijk te verwerken
  • resultaten moeilijk objectiveerbaar
  • veel inbreng mogelijk voor de geïnterviewde, daardoor vaak interessant

 

bijv.: Waarmee zou je de smaak van water vergelijken?

 

Andere informatiebronnen

 

Praten helpt! Wees niet bang om raad te vragen. Bij wie kun je terecht? Naast docenten, medestudenten en studenten uit hogere jaren kun je andere specialisten contacteren.

 

bijv.: De smaak van water ...
Je vraagt 10 koks in verschillende steden een glas kraantjeswater te drinken en hun mening te geven. Je belt naar de watermaatschappij en vraagt of iemand de smaak van water uittest.

 

 

 


 

 Bronnen

 

Begin tijdens het onderzoek al met het aanleggen van een bronnenlijst. Je hebt dan je geraadpleegde boeken en websites nog bij de hand. Het achteraf opzoeken van de juiste titel of auteursnaam kost veel tijd. Daarnaast bestaat het risico dat je de juiste bron niet meer terugvindt. Maak infokaarten waarop je een verwijzing naar de bronnen noteert. 

 

  • Schrijf bovenaan de referenties van het artikel of werk dat je raadpleegt (naam auteur, titel artikel of boek, uitgeverij of internetsite).

  • Vind je interessante info in een werk, schrijf dan op de kaart een mindmap referentie (bijv. nummer van het hoofdstuk) of maak een nieuw mind map item en noteer het paginanummer van het artikel / boek.

  • Vind je een interessant citaat, schrijf het dan op de kaart samen met de mindmap referentie.

 

 

 


 

Maak een mooie lay-out!

 


Een goede lay-out is een visuele ondersteuning van de inhoud van een verslag.

Je persoonlijke voorkeur is natuurlijk belangrijk: je vindt een bepaald lettertype mooier dan een ander of je houdt absoluut niet van haakjes in een tekst. Maar naast die persoonlijke voorkeur, moet je natuurlijk rekening houden met algemene regels.

 

Hoe krijg je een rommelige tekst?

 


je gebruikt verschillende lettertypes in de basistekst
je gebruikt gescande en geknipte figuren door elkaar
je schrijft in het ene hoofdstuk wel een voettekst, het andere weer niet
je kopies vertoont vegen of kreuken

 

Hoe krijg je een mooie tekst?

 


je maakt een overzichtelijk geheel
je zet enkele opsommingen in je tekst: die zijn efficiënt en doorbreken een saaie bladspiegel
je brengt lucht in de tekst en propt de paragrafen niet te dicht op elkaar
je laat genoeg ruimte tussen de afbeeldingen en plakt ze allemaal op dezelfde manier in de tekst
je maakt een duidelijk onderscheid tussen hoofdzaken en bijzaken
je gebruikt steeds dezelfde manier om voetnoten te schrijven
je gebruikt steeds dezelfde manier om verwijzingen (bijv. naar de bibliografie)
de linkermarge is minimaal 3 cm, dat is nodig om de pagina's te kunnen inbinden
je gebruikt maximaal 7 veel accenten (cursief, bold) per pagina

 

De gewone lay-out afspraken

 

Basistekst:

 


Gebruik voor de basistekst een gangbaar lettertype (Arial, Times New Roman enz.)
Gebruik voor de basistekst een puntgrootte van minimaal 10.
Gebruik maximaal 2 verschillende lettertypes in je basistekst, je kunt daarnaast nog de vette, cursieve en de onderstreepte variant gebruiken.
Maak titels herkenbaar als apart tekstelement door tekstwit, lettergrootte en tekstvorm.
Gebruik een identieke vormgeving van de titels van hoofdstukken en paragrafen.

 

Andere teksten (koptekst, voettekst, figuurteksten enz.):

 


Zet geen kop- of voettekst op je voorpagina of in het voorwoord.
Gebruik voor extra teksten een lettertype van 2 punten kleiner dan de basistekst.
Gebruik geen voetregel als je ook voetnoten gebruikt.

 

Paginanummering:

 


Zet de paginanummering binnen een kop- of voetregel.
Zet de paginanummering bij voorkeur aan de rechterkant van de pagina.
Kijk na of je paginanummering klopt en of er geen witte pagina's in je werkstuk zitten.

 

Leestekens:

 


Lees een handleiding over leestekens (bijv. bij vrttaal.net)
Zet geen spatie voor een leesteken, zet wel een spatie na een leesteken.

 

Opmaakprofielen

 

Het is handig om binnen je tekstverwerker (Open Office, Word) met een stijl of opmaaksjabloon te werken. Waarom? Met een klik verander je de stijl van de tekst of de titels. Je kunt een automatische inhoudsopgave genereren en die automatisch laten aanpassen als je een paragraaf toevoegt of weglaat. Hoe gebruik je zo'n opmaakprofielen? Dat lees je bij de Help-functie van je tekstverwerker.

 

Foto's, tekeningen, kleur

 

Als je foto's invoert in een tekstdocument, bewerk ze dan eerst via een fotoprogramma, bijv. het gratis programma 'Irfanview' (programma en handleiding te vinden via google). Als je een foto verkleint via een fotoprogramma, krijg je een veel kleiner bestand dan wanneer je het verkleint binnen je tekstverwerker. Zo vermijd je dat je bestand (je tekst) later vastloopt omdat het te zwaar is. Zet onder elke foto of illustratie een onderschrift met het nummer van het figuur en de verwijzing. (bijv.: fig.9 Afwateringspijp). Verwijs in je tekst naar de foto's of illustraties die je toevoegt.

Pluk je foto's van het internet, vermeld dan de bron en kijk het copyright na. Foto's zonder copyright vind je onder andere op: www.flickr.com/creativecommons of op wikipedia.org. Je kunt ook een bijlage opnemen met de copyright verwijzingen van elke foto of tekening.

Gebruik kleur alleen als dat nodig is. Titeltjes in verschillende kleuren geven je tekst misschien een amateuristisch patina.

 

Tabellen, grafieken, infographics

 

Een goede tabel of grafiek biedt in één oogopslag de duidelijkheid waar veel snelle lezers behoefte aan hebben. Zeker in meer informatieve teksten zoals een jaarverslag kan een tabel of grafiek je veel woorden besparen. Weet je niet hoe je met tabellen werkt, zoek dan op de Help-functie van je tekstverwerker.
Infograpics zijn afbeeldingen die informatie visualiseren. Een weerkaartje is een voorbeeld van een infographic.